Call TheONE
Menu

Jan Cremer; Het echte verhaal en prachtige portretten van de schrijver en kunstenaar

Hij, Jan Cremer, kunstschilder en schrijver van de onverbiddelijke Nederlandse bestseller ‘Ik Jan Cremer’ uit 1964 heeft nog altijd een strak en stoer verhaal.

Jan Cremer, het icoon van de jaren zestig. De sensatie van toen, de legende van nu. Klinkhamer bezocht de schrijvende kunstenaar en niet te vergeten oud-redactielid van ‘De Haagsche Post’ (1963) in zijn Italiaanse domicilie. Een gesprek over zijn werk en leven, de maagd Maria, zijn eeuwige onrust en zijn  weinige “regrets.”                                                                                                                                  

Jan Cremer op een Harley Davidson
Jan-Cremer-rebel-jaren

Jan Cremer was de eerste schrijver die in de Nederlandse literatuur een verpletterende, onverbloemde indruk achterliet over oorlog, rebellie, sex, vrouwen, humor, reizen en het harde leven als eenmans guerrilla.

Hij, verkocht meer dan 12 miljoen boeken, over de hele wereld. Deed ‘het’ onder meer met filmster Jayne Mansfield, en met Velvet Underground-zangeres Nico en met de genadeloze vrouw uit zijn dromen, de Magic Nana (MK: Jan Cremer, tweede boek, 1966).

Jan Cremer, is nu tachtig jaar. Nog altijd rusteloos, stoer en bovenal helemaal zichzelf.

Jan-Cremer-kunstenaar

Tussen de schuifelende marktbezoekers, boeren en Italiaanse schonen in bontjas, loopt Jan Cremer breedgeschouderd, ferme tred, hier en daar ontspannen handenschuddend met enkele dorpsbewoners.

Samen met Babette, zijn blonde vrouw en een voormalig topfotomodel, lopen ze het terras van Café des Arts op. Ze zijn een opvallende verschijning tussen de kleine, Italiaanse bergdorp bewoners.

Jan Cremer is dol op Ruïnes in Italië

“Hier in Umbrië leven we het grootste deel van de zomer”, vertelt Jan Cremer. “De ligging is perfect in de driehoek Lazio, Toscane en Umbrië. We wonen op een stuk land van veertien hectare. Op dit oude Etruskische landschap bouwen we rustig aan ons huis en atelier.

We kwamen hier terecht via een bevriende galeriehouder. Ik hou van keihard werken, maar het komt erop neer dat restaureren vakwerk is. Wat ik na een dag ploeteren opbouw, breken die lokale vaklieden dan weer af en doen het dan precies zoals het hier al eeuwenlang gaat. We wonen hier nu twaalf jaar.

Alles staat strak en is bijna klaar. Er staan 247 olijfbomen op ons land. De olijfolie oogst is net binnen en gisteren heb ik nog de hele dag olie staan persen. Het mooie boerenleven hier, wissel ik af met het drukke bestaan van schilderen en schrijven in Parijs, Amsterdam en New York. In Parijs heb ik mijn schrijfhok; hier mijn schildersatelier.”

Cremer zegt dat kunstenaars werken met hun oergevoel

“Schrijven doe ik in mijn Parijse atelier dat ooit toebehoorde aan de beeldhouwer-kunstschilder Amadeo Modigliani. Iedere traptrede en scheur in dat huis ademt de sfeer uit van de grote kunstenaars uit het verleden: Picasso, Soutine, Camille Claudel, Modigliani en nu van Cremer.

Mijn laatste boek ‘Cremer 3’ (2008) is grotendeels daar geschreven; getypt op mijn typemachine, de Triumph Gabrielle. Er zijn zes van die typemachines in mijn bezit en ze staan op verschillende plaatsen op de wereld. Dan kan ik overal werken met hetzelfde lettertype.

Waarom ik niet met een tekstverwerker wil werken heeft te maken met mijn theorie en oergevoel. Iedere letter moet definitief in het maagdelijke papier worden gehamerd. Ik heb ook niks met computers, Twitter of Facebook, en zo.”

Zo ontstond het woeste beest, de barbarist, de legende Cremer

“Daar in Montparnasse, in diezelfde Parijse buurt, bij de rue Santeuil heb ik ooit het echte kunst schildersvak geleerd.” Cremer hield op jonge leeftijd experimentele ‘Peinture Barbarisme’-exposities in Den Haag rond 1957-1959. Hij leefde toen al voor de kunst en de publiciteit. Snel werd hij bekend als de barbarist, het ‘woeste beest’ en liet met schitterend woest en wild schilderwerk zijn talent spreken.

Begeleid met forse uitspraken in kranten: “Rembrandt, wie is dat? Ik heb geen verstand van sport!” en “Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, ik spat, ik sla, ik schop, ik vecht met verf. Soms win ik.”.

Juist door die uitspraken bewerkstelligde Cremer snel landelijke bekendheid. Voor zijn barbaristische kunstwerk ‘La guerre Japonaise’ vraagt hij in 1959 het destijds astronomische bedrag van één miljoen gulden (€ 440.000). Een bedrag dat in die tijd insloeg als een bom.

Het doek is er nog”, vertelt Cremer, “Het staat nu in mijn opslag en gaat naar het Jan Cremer Museum in Enschede. Ik wilde het toen eigenlijk niet verkopen; ook nu nog niet.”

Jan-Cremer-1958

Ik Jan Cremer, belichaming van de antichrist

“Na het verschijnen van mijn debuutroman in 1964 ‘Ik Jan Cremer’ was ik opeens rijk en beroemd. Voor die tijd was ik straatarm en leefde van de zon en de wind op het nog onbekende eiland Ibiza. Daar ben ik toen serieus en in het geheim gaan werken aan mijn boek.

Ook schilderde en exposeerde ik ook op het eiland en had veel succes. Bij terugkomst in Nederland is uiteindelijk door uitgeverij De Bezige Bij ‘Ik Jan Cremer’ gepubliceerd. Het resultaat is bekend. Echt rooskleurig was dat allemaal niet.

Voor keurig Nederland was ik een soort belichaming van de antichrist; en stond qua imago gelijk aan de toen even rebelse en als smerig bekend staande Rolling Stones. Constant werd ik nagekeken, uitgescholden en geweigerd in restaurants. Zelfs het huis van mijn moeder in Enschede werd s’nachts beklad en in brand gestoken.

Hield het snel voor gezien en emigreerde naar Amerika waar ik nog gewoon over straat kon lopen.” In New York schrijft hij ‘Ik Jan Cremer, tweede boek’ en een soft porno en tieten boek ‘Made in the USA’. Binnen twee jaar is Cremer ook in Amerika uitgegeven en ondanks de, naar eigen zeggen, slechte vertaling, een absoluut fenomeen.

Plotsklaps wereldberoemd staat hij op vierentwintigjarige leeftijd als eerste en enige Nederlander met zijn boeken in de top van de Amerikaanse bestseller lijst. Cremer woont vervolgens jarenlang in het legendarische ‘Chelsea Hotel’ en heeft daar ook zijn atelier (Cremer 3).                      

         

Jan Cremer cultheld in Nederland
Ik-Jan-Cremer-boek-omslag
Jan-Cremer-on-Harley-Davidson in Amsterdam

Elf jaar van bloed zweet en tranen voor Jan Cremer

“We wonen nu in Italië omdat deze plek voldoet aan mijn eisen op het gebied van centrale ligging en bereikbaarheid. Het had ook ergens anders hoger op een berg in een kouder en onherbergzaam gebied kunnen zijn. Liever nog eigenlijk! Ik hou van de kou, van regen, storm en donkerte.

Maar ik krijg mijn geliefde vrouw Babette niet meer die kou in. Ze heeft al genoeg offers moeten brengen op dat gebied tijdens mijn werk aan mijn boek ‘De Hunnen’. Geschreven in het Twents-Duits grensgebied bij Ootmarsum tussen troosteloze akkers en Saksische grafheuvels.”

 ”De Hunnen heeft uiteindelijk meer dan elf jaar geduurd. Vier jaar van minutieuze voorbereiding en wereldwijd archief-onderzoek. Zeven jaar schrijven. Elf jaar van bloed, zweet en tranen. ‘De Hunnen’ is mijn magnus opus. Een journalistieke oorlogstrilogie van meer dan 1500 pagina’s, gebaseerd op historische feiten.”

Geloofd Jan Cremer in god?

Jan Cremer stelt na enkele koppen koffie voor om met mij het kerkje tegenover het terras te bezoeken en de lokale muurschilderingen te bewonderen. Het lijkt mij een erg goed plan.

Heeft Jan Cremer misschien ergens enig gevoel van schuld en boete? Hij was immers ooit de vleesgeworden antichrist en kunstvijand nummer 1. Benieuwd naar de diepere religieuze gevoelens van Jan Cremer wandelen we de eeuwenoude kerk binnen.

Jan-Cremer-kerk-maria

Met opvallend respect en geruisloze stappen loopt hij door het kerkje. Cremer slaat een kruisje bij het oversteken van het middenpad in de kerk. Het altaar, prachtig versierd, bekijkt hij met bewondering en een lichte glimlach.

“Ik kom uit een Hongaarse gegoede katholieke familie. Maria is daar een heilige, ook mijn heilige. Onze olijfolie heet ook ‘Santa Maria-Vergine delle Olive. Ons huis staat in de buurt van het dorpje Santa Maria. Dat is een bewuste keuze geweest. Ben niet gelovig, wél gottglaubich zoals dat in Duitsland genoemd wordt. Ik geloof in een hogere macht.” Goedgelovig? versta ik. “Wat?”, vraagt Cremer, “Nee, niet goedgelovig, dat ben ik zéker niet.”

We lachen nog wat op ingehouden toon net als ondeugende koorknaapjes tijdens de mis. Op gedempte fluistertoon vertelt Cremer verder dat hij altijd, maar dan ook altijd een Mariabeeldje als kleine talisman in zijn broekzak heeft zitten. “Anders ga ik de straat niet op. Ik geloof in een hogere macht. Maria is mijn heilige. Dat vind ik ook een mooi beeld, het Mariabeeld. Kerstfeest vier ik nooit. Ik heb het niet zo op de kerstdagen.” (Zie de nouvelle ‘Sneeuw’ uit 1976.)

Keiharde vernedering

Mijn moeder was opgegroeid met haar Hongaarse familie en met de kerk, maar in Holland waren wij zogenaamd Hongaars-Katholiek. Dat betekende uitslapen ‘op zondag’”, grinnikt Cremer. “Moeder en ik werden in de kerk van Enschede gemist. Na de oorlog waren we eensklaps dakloos en straatarm.

Soms kwam de pastoor aan de deur vragen waarom we niet naar de kerk kwamen. Daar was mijn moeder niet van gediend. Ze zei als je de priesters wilt verjagen moet je ze om geld vragen. Dat deed ze. Daarna hebben we die schijnheiligen nooit meer gezien.

Mijn moeder was een donkerharige schoonheid, in welvaart grootgebracht. Voor mijn moeder was het leven in Holland een grote vergissing en een keiharde vernedering. Ik ben door haar ook altijd voorgehouden om zo snel mogelijk weg te komen uit Enschede.

Op mijn veertiende vluchtte ik al naar Parijs en op de eerste werkdag na mijn l6de verjaardag ging ik bij de mariniers. Ik heb er sindsdien nooit meer een nacht geslapen.” Er valt een diepe stilte. Cremer kijkt me strak aan met zijn ijsblauwe ogen. 

De relaties en verloren liefdes van Jan Cremer

 “Ik heb door mijn karakter en mijn onrust veel grote liefdes rucksichtlos achtergelaten. Er zaten veel lieve en goeie meiden bij. Ik heb daar dan ook wel verdriet van gehad en ben daar nu op latere leeftijd niet trots op. Dat had ik soms ook anders kunnen doen. Spijt, dat klinkt wel zwaar. Het Engelse woord regret is beter”, zegt Cremer in een poging om het privé-onderwerp te verlichten.

 “Achteraf ben ik die vrouw gaan haten die mijn Amerikaanse dochter heeft afgenomen. Haar moeder stond aan de top in de New Yorkse balletwereld. Een prima ballerina oorspronkelijk uit België.” Die ellende heeft me drie jaar van mijn leven gekost. en dat vergeef ik haar nooit. Maar ja, zo hard is het leven.”

De biecht is daarbij afgenomen, we kijken nog naar de fresco’s en religieuze schilderijen van Pietro Perugino. “Prachtig! Heerlijk om hier te kijken en te genieten”, fluistert de voormalige kunstbarbaar zachtjes.

We verlaten de kerk en lopen de zonnige materiële wereld weer in. Ik vraag Cremer naar zijn mening over de huidige situatie in de wereld zijn mening over de dreiging van directe armoede in Europa.

Cremer: “De crisis en de eventuele armoede zijn misschien wel goed om het kaf van het koren te scheiden.

Ik heb in kindertehuizen gezeten. Mijn moeder kon door geldgebrek niet voor mij zorgen. Ik ken armoede, echte armoede: halfje brood, beetje kaas… En dat voor de hele week. En alleen op zaterdagavond kon de kachel aan. Echte armoede! Ik voel me helemaal thuis met armoede.

“Het enige waar ik me zorgen over maak bij deze crisis, zegt Cremer lachend, dat ze die mij die weer in de schoenen schuiven. Dat ik het weer gedaan heb! Stel dat er op een gegeven moment geen geld meer bij de bank is, dan kan ik onze olijfolie ruilen voor brood, meel en wijn”.

We ruilen ruil onze olie nu al in Parijs, Basel, Berlijn en Antwerpen bij bevriende restaurateurs en dat wordt verrekend met overnachtingen en diners. Dat deden we vroeger ook al, ‘barteren’ met schilderijen voor eten en onderdak.

Voor politiek heb ik totaal geen interesse, lees de internationale kranten en bekijk de cultuur pagina’s. Ik lees veel liever historische boeken en reisverhalen. Bijna geen romans. Veel auteurs willen van die ‘te mooie’ zinnen schrijven. Ik heb daar geen geduld voor en ga puur voor inhoud, kennis en informatie. Over zaken die mij bezig houden.

Jan Cremer wil weer theater maken

Wat ik mij wel eens afvraag waarom ik niet gevraagd wordt om een nieuw toneelstuk te schrijven. Ik ben een theater mens en heb veel theaterstukken geschreven. Met veel succes. In Nederland, België en Duitsland heeft dat volle zalen getrokken. Het is allemaal zo’n ingeslapen zooitje in Holland op cultureel gebied. Ook op het gebied van de Nederlandse literatuur.

Het is allemaal slappe, onleesbare, krampachtige ziekenfonds literatuur.

Met de beste wil kan ik dat echt niet lezen! Het gaat vooral over allerlei enge ziektes en zo. De enige Nederlandse schrijver die ik graag blijf volgen, is Jan Brokken. Ik heb hem weleens de Nederlandse Graham Greene genoemd; die mag ik wel graag lezen.

Verder is de Nederlandse literatuur voor mij niet interessant: te zielig, krampachtig en saai. Ze gooien elkaar letterlijk dood met allerlei prijzen. Het zal ook verder nooit wat worden in de wereldliteratuur. Ik beschouw mijzelf ook niet als een Nederlandse schrijver.

Ik beschouw mijzelf als Duits-Angelsaksisch wat betreft schrijfstijl. Niemand kan zich met mij vergelijken in Nederland. Ik zit meer in de hoek van Kurt Malaparte van het boek ‘Kaputt’ of Ruth Scurr’s ‘Fatale Zuiverheid’. In de New York Times werd ik vergeleken met Maksim Gorky, Jean Genet, Henry Miller en Louis-Ferdinand Celine.” 

‘Ik moet nog steeds beginnen’

Jan-Cremer-Dutch-painter

De ochtend is om, en we rijden naar zijn huis annex atelier tussen de, olijfboomgaarden voor een uitgebreide lunch. Korenvelden staan nu leeg en de wijngaarden zijn aan het vergelen. We slaan af bij een onverharde weg en zigzaggen verder over rotswegen.

Bij aankomst is het uitzicht over het landgoed prachtig en de volledige stilte op het land is indrukwekkend. Cremer: “Dit is eigenlijk mijn eerste huis dat ik heb gebouwd, maar ik ben hier niet gebonden. Ik ben een opgejaagd dier, zeg maar een vos. Ik denk nog altijd: Morgen moet ik beginnen.

Ik ben nu tachtig jaar en ik moet nog steeds beginnen. Mijn laatste boek of schilderij is goed, maar morgen doe ik het nog beter.” We lopen door het ruim opgezette schildersatelier. Cremer laat een serie reusachtige doeken zien die voor het Jan Cremer Museum bedoeld zijn.

Sommige zijn nog niet af; de bijzondere geur van verse verf hangt in de ruimte. “Dat ruik ik na een halve eeuw niet meer”, zegt Cremer.” In het atelier spreekt hij vrijuit over zijn kunst zonder cynisme, achterdocht of pogingen om publicitair te choqueren.

Iets wat jaren geleden een vast ritueel was en journalisten tot wanhoop dreef en de natie met sappige quotes en oneliners in verwarring bracht.

Een schilderij is nooit of mooi of lelijk

“Wat voor mij belangrijk is, is niet of Willen de Kooning of Karel Appel of wie dan ook hoger op de kunst ladder staan. Ik heb hierover een theorie. Ik ben academisch gevormd en ik heb enorme materiaalkennis. Dat vind ik heel belangrijk.

Al jonge schilder in Parijs leerde ik hoe kunstschilders hun eigen verf maakten met olie en pigmenten. Ook realiseerde ik me dat iedereen die een beetje met een kwast kan rommelen een mooi schilderijtje kan maken. Dat is voor mij helemaal niet moeilijk. Zó mooi kan ik schilderen dat de tranen van schoonheid over je wangen zullen stromen!

Ik draai juist moedwillig die cultuur de gevoelige nek om! Door de traditionele waarden drastisch om te keren, bereik ik wat ik wil. Dat deed ik al in 1959 en nog steeds. “Schilderen is de kunsthistorie vernietigen” Een mooi-lelijk-schilderij maken is moeilijker en dat is juist voor mij belangrijk. Mensen moeten schrikken en versteld staan.

Ook nu nog anno 2021 roepen ze bij zogenaamd gerenommeerde moderne kunstgaleries “Het is wel erg wild wat je maakt. Dat durven wij  zo niet te exposeren.” Ik ben de cultuur altijd een paar stappen voor geweest. Iedereen was in de jaren zestig bezig met abstract expressionisme.

Ik werkte al in 1964 aan de schilderijen met koeien, de Hollandse landschappen en de beroemde tulpen die ik schilderde in New York. Ik was en ben iedereen altijd ver vooruit. Geen grootspraak, maar een feit.”Heb je toch niet het idee dat je schrijfwerk je schilderwerk heeft geremd?”, vraag ik. “Nee hoor, ik kan gewoon niet anders.

Als er ook maar één moment of ingeving was geweest dat me had doen beslissen om, óf alleen maar te schrijven, óf alleen nog te schilderen dan had ik het gedaan. Gelukkig, of helaas, dat weet ik niet, doe ik het beide. Ik kón en kán niet anders.

Jan Cremer de kunstenaar en schrijver blijft altijd op zoek naar iets nieuws

Ik kijk trouwens vrijwel nooit terug maar altijd voorruit. Recht zo die gaat. Ben nog volgeboekt tot 2040.”

Jan Cremer portrait 2012

Cremer kijkt in de ondergaande zon. Er bekruipt mij een gevoel alsof de eenzame volksheld uit mijn jeugd een tevreden mens is. Cremer: Tevredenheid staat niet in mijn woordenboek. Is niet mijn streven.

Ben in feite altijd op zoek, volg mijn gevoel en ga sowieso mijn eigen gang. Je bent dan vóór mij of tegen mij. Daar is mijn hele bestaan op gebaseerd. Daar teer ik op en daar prijs ik me zelfs gelukkig mee. Er komen dagelijks stapels uitnodigingen en aanvragen binnen voor van alles, maar aannemen doe ik er hoogstens eentje.

Dat ik dit interview doe is een uitzondering. Ik ben geen figuur voor society. Ik ben een eenling en hoor nergens bij. Er is wat mij betreft ook totaal geen verschil tussen hoe ik daar vroeger mee omging en nu.

“Zelfs dit interview, nu of vroeger, mijn antwoorden zijn hetzelfde. Behalve misschien dit: het vervelende van ouder worden is dat je wat milder wordt.” – Jan Cremer.

‘Bedelmonnik met een missie’ Peter Klashorst.

Eerder gepubliceerd verhaal en fotografie in HP/De Tijd kerstnummer 2010.

Peter Klashorst, in de jaren tachtig een van de meest spraakmakende kunstenaars van zijn generatie, woont en werkt tegenwoordig in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh.

Daar exposeerde de kunstenaar in de voormalige Tuol Sleng-S-21 gevangenis zijn meest recente werken.

Klashorst-atelier-Phnom-Penh-tekening

Michael Klinkhamer bezocht de kunstenaar in zijn Aziatische domicilie en sprak met hem over zijn eclectische oeuvre, zijn hang naar zelfdestructie en, hoe kan het ook anders, vrouwen, macht en de totale redeloosheid van het bestaan.

Ik verlaat de aankomsthal van het Phnom Penh International Airport. Uit een kluitje rondhangende Cambodjanen maken zich enkele figuren los, zwaaiend met bordjes, “You need car, taxi, hotel? Where you go?”  Vanuit mijn ooghoek zie ik een gedrongen man staan, met indringende donkere ogen onder een zwart flaphoed; Peter Klashorst. Na een korte, hartelijke begroeting rijden we per tuktuk de vroege avondspits in, op weg naar Klashorst zijn huis annex atelier. De kunstenaar woont en werkt downtown, in het uitgaansgebied waar de nacht geen einde kent en de tientallen barretjes namen hebben als LuckyBar 69,  Darling-Darling en You Hot. Het stadsdeel ligt aan de indrukwekkende Mekong Rivier en wordt begrensd door een fraai onderhouden boulevard. De bouwstijl is Frans koloniaal, die het gebied bijna een Zuid Franse allure verleent.“Laten we eerst maar even wat drinken, toch?”, zegt Klashorst. “Het bier is hier goed en de sfeer zit er altijd in”. Hij gaat me voor, een donkere, ijskoud gekoelde bar in, waar een twintigtal ‘hostessen’ ons vriendelijk welkom heten. “Proost en welkom in mijn stad”, zegt Klashorst na de eerste teug van zijn ijskoude bier, onverstoorbaar, terwijl slanke vrouwenhanden over ons heen beginnen te kroelen en onze nek en rug stevig masseren. “Let daar maar niet op hoor, zo gaat het hier gewoon”, zegt Klashorst. “Het is gewoon werk voor die meiden. Ze komen vanuit de sloppenwijken en het platteland hiernaartoe en verdienen op deze manier heel wat meer dan als ze in een fabriek of in een sweatshop iets vaags in elkaar zetten voor twee dollar per dag. Ik zit vaak in dit soort barretjes. Meestal geef ik zo´n meisje wel eens wat dollars of een mobiele telefoon. Natuurlijk, als je ook ´iets anders´ wilt dan is dat ook te regelen, al moet ik daar nu echt even niet aan denken. Trouwens, ik zie die meisjes hier ook meer als modellen voor mijn schilderijen, tekeningen, strips, films, mijn erotische foto’s; ze zijn een bron voor mijn beeldverhalen. Ik zie veel schoonheid en onschuld in hen. Op Facebook publiceer ik soms korte films van een paar vrouwen, kleine portretjes en culturele vertellingen. Denk je nu echt dat ik hier voor seks kom? Ik neuk toch altijd en overal wel, daar gaat het mij niet om. Deze vrouwen hebben mij ook weer nodig om te praten en te rusten en wat geld los te krijgen, voor van alles. Ik ben daar makkelijk in, dat is altijd al zo geweest. Als ik weer wat poen heb dan moet het op, en als er even geen geld is dan helpen ze mij ook met gezelschap, eten of drank.”   

Saint-of-Me-Klashorst-atelier-Phnom-Penh.
Saint-of-Me-Klashorst-atelier-Phnom-Penh.

Saaie welvaart.

Klashorst voelt zich duidelijk thuis in de Cambodjaanse hoofdstad, waar hij min of meer bij toeval is beland. “Ik pendelde eerst tussen mijn huizen en vrouwen in Azië en Afrika. Daarna woonde ik in Bangkok. Van mijn leven in Afrika was ik toen even genezen, daar werd het me te gevaarlijk. Ik werd steeds weer gearresteerd en zat dan  in de bak terwijl de politie alles uit mijn huis stal. Hier in Azië is het toch wat normaler. Aziaten zijn totaal niet  agressief. De Afrikanen in de slums wel, die vreten een witte jongen als ik op, zeker als ze geld aan iemand ruiken.”Zo kwam ik dus in Bangkok terecht. Maar daar werd het me te duur en te braaf. Ik vond die welvaart eigenlijk een beetje saai. Hier in Phnom Penh heb je een dorpse sfeer met een dikke rand van heftige armoede, corruptie en daarnaast ook extreme rijkdom. Hier is het ieder voor zich. Wat natuurlijk veel te maken heeft met de periode van de Khmer Rouge en de totale waanzin van zelfdestructie en broedermoord.”Van 1975 tot 1979 vergreep de communistische Khmer Rouge zich aan de Cambodjaanse bevolking in een naïef opgezette communistische revolutie. In luttele jaren joeg het regime van Pol Pot het land naar de afgrond, ten koste van miljoenen doden. Als symbool van het bloedvergieten heeft de huidige Cambodjaanse regering in samenwerking met UNESCO van de voormalige Tuol Sleng-S-21 gevangenis een museum gemaakt, dat nu een van de grote toeristische trekpleisters van Phnom Penh is.

Klashorst-in-Tuol-Sleng-S21-Phnom-Penh
Klashorst-in-Tuol-Sleng-S21-Phnom-Penh
Klashorst-in-Tuol-Sleng-S21-museum-Phnom-Penh-

Klashorst: “Als je het nuchter bekijkt is dat museum gewoon een vorm van exhibitionisme. Toch ben ik er tijdens een van mijn eerste bezoeken aan Cambodja maar eens gaan kijken. En toen realiseerde ik me dat het, zonder dat de Cambodjanen het zelf beseffen, ook een ´kunstinstallatie´ is, zoals je in Nederland in een modern museum ziet. Het staat vol met heftige foto’s en instrumenten van die haat en de onvoorstelbare menselijke destructie.”De plek heeft Klashorst geïnspireerd tot de werken die hij in de voormalige gevangenis en martelwerkplaats gaat exposeren. “Ik maak een aantal doeken van twee bij anderhalf meter, ik ben ook bezig aan een groot standbeeld voor de 14.000 tot 20.000 slachtoffers van de Khmer Rouge uit de Tuol Sleng-S21 gevangenis en ik werk samen met UNESCO aan een gedenkplaats en monument voor de familieleden van de slachtoffers. Op de sokkel komen de namen van alle slachtoffers te staan.”Voor de kunstenaar staat de geschiedenis van de Khmer Rouge niet op zichzelf. “Het is echt afschuwelijk wat ze daar in die gevangenis hebben uitgevreten. Maar ik beschouw die geschiedenis niet als een incident uit het verleden, zoals bijvoorbeeld de holocaust. Het is niet alsof dit soort geweld nu niet meer gebeurt. Er is altijd wel een, macht die zich vergrijpt aan de verschoppelingen, Een politieke of militaire macht die uitbuit, vernederd en martelt. Als je even pech hebt om aan de verkeerde kant te zitten van de lijn. Kijk maar naar Irak, Afghanistan, Iran, Israël, enzovoort. Daarom is dit werk ook een actueel en een heel persoonlijk statement. Ik kom soms nog even in Nederland, en daar gaat het ook steeds meer die kant op. Het nummeren en opsluiten, registreren en fotograferen van totaal onschuldige mensen. Met als enige doel om ze daarna zo snel mogelijk te laten verdwijnen uit Nederland. Nederlandse repressie.

Klashorsts ogen schieten vuur nu hij een gevoelig onderwerp aansnijdt. “Het klinkt misschien als een zwaar aangezet statement, maar mijn eigen dochter zit nu wel vast in een hok, samen met haar moeder, met de deuren potdicht. Mijn familie zit nu in het Asielzoekerscentrum Ter Apel, in die afschuwelijke noordelijke koude woestijn van de Nederlandse repressie. Het is wel mijn dochter, een Amsterdams meisje,  al is ze dan geboren in Kenia. Ze heeft een Nederlands paspoort. Onze regering sluit dus inmiddels ook al eigen ingezetenen op! Mijn dochter is 5. Terwijl wij hier zitten te praten is zij opgesloten met een van mijn ex-vrouwen uit Kenia, voor wie ik ooit moslim ben geworden. Zij komt soms met mijn dochter over naar Nederland, als ik daar ben om in Nederland zaken te regelen en kunstwerken te verkopen. Of mijn strips uit te laten geven. Ik kan mijn kinderen toch wel zien in Nederland? Hoe ingewikkeld is dat? Blijkbaar is dat al genoeg voor mijn gezin om in de gevangenis te belanden. Ik moet haar eruit krijgen. Het Nederlandse vreemdelingenbeleid  is een keihard systeem, zonder mededogen. Als ik daar in Ter Apel aan de gevangenisdeur kom om haar te bezoeken, dan lachen ze me uit, en krijg ik een formulier met bijna tweehonderd achterlijke vragen mee. Zoek het maar uit met je dochter, Klashorst.  Mijn dochter moet ook naar school, maar leert nu hoe je moet overleven in een land als Nederland, via de onderkant van die prachtige rechtsstaat. Terwijl ook de leerplichtambtenaar mij nu wil beboeten omdat ze niet meer op school komt! Waanzin. Nee, ze zit in de bak, vertelde ik aan die ambtenaar. Ze weten  niets van elkaar, die instanties. Het is een bijna onneembare vesting van bureaucratie. Die uitzetcentra zijn een immorele schande. Nederland is het hardste van alle Europese landen. Nu met die PVV en Wilders aan de macht zullen ze het allemaal nog wel veel ´beter en sneller´ aanpakken om mijn moslimfamilie het land uit te trappen.”
Klashorst betoog wordt onderbroken door de ringtone van zijn mobieltje. “Wacht even, telefoontje. Ja? No baby, I am working now. No, working. I can not meet, no. I’m with a journalist working and then painting. Listen, I am no tourist o.k?. “

Peter-Klashorst-in-de-straten-van-Phnom-Penh
Peter-Klashorst-in-de-straten-van-Phnom-Penh

Diep in de nacht loop ik de trappen op naar Klashorsts atelier, gevestigd  in een grote etage met een  ruim opgezet dakterras. De straatverlichting werpt een zachtgele gloed over de  zwoele tropische geurende, en altijd in beweging zijnde stad. Een licht verkoelende bries blaast door de nu verlaten straten. Klashorst is aan het werk, in het gezelschap van een nieuwe Cambodjaanse vriendin en model. Klashorst staart naar de grote doeken die verspreid langs de muur staan, en werkt steeds kortstondig gewapend met een spuitbus, aan verschillende doeken. Met dansachtige bewegingen brengt hij korte zwarte lijnen, snelle strepen en kleuraccenten op de doeken aan.

Klashorst-atelier-Phnom-Penh
Nacht schilderen in Cambodja
Klashorst-atelier-Phnom-Penh-portret
The Horror!

“Deze serie schilderijen van de gemartelde en vermoorde slachtoffers van de Khmer Rouge zijn op de authentieke historische foto’s geïnspireerd”, vertelt Klashorst, al schilderend. “Morgen moeten we maar even naar de Tuol Sleng gevangenis gaan, dan zul je beter begrijpen wat ik bedoel en waar dit werk voor staat.”Tuol Sleng is de oude Tuol Svay Prey Hogeschool die in 1975 door de Rode Khmer werd overgenomen voor gebruik door de speciale veiligheidsdienst van Pol Pot.

Het gebouw werd door deze dienst gebruikt als gevangenis (S-21) en martelkamer. Hoeveel gevangenen er precies binnen deze muren hebben gezeten, is onbekend. Schattingen lopen uiteen van 14.000 tot 20.000 mensen.

Klashorst-atelier-Phnom-Penh-nacht

“Het is een verhaal dat eigenlijk al heel lang in me zit”, vertelt Klashorst terwijl we door de hol klinkende voormalige martelkamers lopen en halt houden bij de primitieve houten martelapparaten. “Als kind liep ik ook mee in de anti-Vietnamdemonstraties”.

“Toen ik dus eenmaal in Phnom Penh kwam, raakte die geschiedenis me heel sterk, waarschijnlijk omdat ik zelf in Afrika voor langere tijd zat opgesloten. Maar ook eigenlijk al vanuit het verleden van mijn vader die in een kamp zat in Polen, tijdens de oorlog. Die ouwe, inmiddels tweeënnegentig jaar oud, heeft allerlei kamp trauma’s waar hij nooit echt helemaal van los is gekomen. In dat opzicht was ik al van jongs af aan opgescheept met een zwijgend trauma binnen mijn familie. En nu komt daar nog de Nederlandse context van die uitzettingscentra bij. Na mijn eerste bezoek aan de Tuol Sleng gevangenis rolden de tekeningen, schetsen en schilderijen eigenlijk vanzelf uit mijn kwast. Ik voel dat dit iets is dat ook diep in mij zit. Ik heb de originele foto’s, die hier gedeeltelijk aan de muur en in die vitrines tentoon zijn gesteld als uitgangspunt gebruikt. Bij het museumpersoneel en directie kregen ze in de gaten dat ik er mee aan het werk was. Vervolgens werd ik benaderd door UNESCO. Om iets te mogen doen in het museum heb je natuurlijk toestemming nodig van de minister van cultuur of zo. Die is nu afgegeven, via de UNESCO, en nu ga ik hier op de bovenverdieping mijn werk  exposeren.”Rond de tijd van de tentoonstelling zijn er ook eindelijk de langverwachte uitspraken van het  Cambodjaanse oorlogstribunaal. Dat maakt het verwerkingsproces van de slachtoffers en de straffen voor de voormalige Khmer Rouge leiders en beulen zeer actueel.

Klashorst: “Maar een handjevol mensen heeft deze gevangenis ervaring overleefd, hooguit zes of zeven mensen. Zij en hun familieleden krijgen hier geen enkele aandacht, geestelijke hulp of financiële steun. Het leven gaat door en er sterven hier regelmatig nog grote groepen mensen, zoals onlangs op die brug over de Mekong rivier. Hup, driehonderd doden en plus gewonden. De volgend dag is alles weggeruimd. En gaat het leven weer door.” Ik werk nu nauw samen met een van de overlevenden, Choum Mey. Die man komt nog dagelijks in de S-21 gevangenis, iedere dag met zijn brommertje om twee uur. Hij is dus nooit echt vrij gekomen. Ik praat met hem en kom zo meer en meer te weten over die tijd, en het leven ten tijde van de Khmer Rouge.

Klashorst is zich ervan bewust dat zijn Cambodjaanse werk bij sommigen scepsis zal oproepen. “Ik sta nog altijd bekend als die blote vrouwen schilder. Na duizenden schilderijen van allerlei naakte dames, die ook allemaal een persoonlijk verhaal hebben – en ik ga daar dan ook diep, letterlijk heel diep op in – kreeg ik daar eigenlijk wel genoeg van. Na letterlijk duizenden van die verhalen en aansluitende, soms slopende affaires, word je daar heel moe van. Het voordeel bij het maken van deze portretten is dat die mensen dood zijn. In mijn atelier staan nu de doeken die min of meer af zijn, en staren die dode ogen mij aan. Ik voel daarbij wel een emotionele druk. Want wanneer ik iemand schilder dan word ik ook die persoon. Als iemand een zenuwtic heeft bijvoorbeeld, dan krijg ik die ook. Maf, niet?

Mijn manier van schilderen is geen –isme.  Ik ben helemaal los van die Amsterdamse kunstwereld. Al jaren geleden  ben ik uit die incestueuze wereld gekropen. Dat komt volgens mij mijn werk alleen maar ten goede. Ik voel me onafhankelijk. Het is niet gemakkelijk, maar ik ben wel helemaal mijn eigen man, werk niet voor ‘de markt’, die ingedutte kunstscene. Die heeft mij sowieso nooit geboeid, ik moest er  eigenlijk nooit iets van hebben. Of ik nu in het Stedelijk museum hing of ergens in een galerie in New York. Ik schilder liever onafhankelijk vanuit de jungle, the heart of darkness, om het zo maar eens te stellen. Wat al die commerciële kunst types er van vinden, boeit mij niet. Een serie portretten als deze is qua stijl vast al eens eerder gedaan. Die met spuitbus gemaakte hersengolven voegen  er een abstract element  aan toe. Ik word één met de verf, de spuitbus en het doek, en transformeer  dan mee in het schilderij. Als ik  schilder zit ik soms, geestelijk compleet vast alsof ik in een van die kleine cellen die ze hier in de Tuol Sleng hebben zit. Letterlijk. En voel ik de pijn en wanhoop die hier tussen deze muren heeft rond gewaard. Ik hoop dat de bezoekers dat straks ook zullen voelen, en dat de slachtoffers op een of andere manier weer tot leven zullen komen, snap je?”  Klashorst kijkt me vragend aan. “Dit  kunstproject is mijn bestemming geworden, zo voelt het. Hier heb ik eigenlijk mijn hele leven voor gewerkt.”

We lopen samen zwijgend door de zalen van het martelmuseum en willen net vertrekken als er een tropische stortbui losbarst. We vluchten snel terug naar een van de zalen van het museum. In een naargeestige hoek van de zaal staat een vitrine, volgestapeld met schedels die ons leeg aanstaren. Lege bruine oogkassen en de doorboorde schedels van een vermoorde generatie kansloze Cambodjanen. Terwijl ik huiver, en een rilling van afschuw onderdruk, is Klashorst via zijn mobieltje alweer in gesprek met een van zijn nog springlevende modellen. “Yes! What baby? you need phone, again why? I gave you one yesterday, you lost it … o.k. we talk later, I am busy now, yes working,  no boom boom. not with her, no, no working with Holland journalist,  o.k !”

Painter Peter Klashorst in Phnom Penh
Portret Peter Klashorst in Phnom Penh 2014